ZEVENENZEVENTIG

A: Zevenenzeventig. Ja, zevenenzeventig. Ik vind dat een mooi getal.
B: Pardon. Zei u iets, mijnheer?
A: Welja. Ik zei, zevenenzeventig, ik vind dat een mooi getal.
B: Waarom begint u nu een woord te zeggen dat u mooi vindt? Heeft dat voor u een betekenis of zo, mijnheer?
A: Bah, dat schiet me ineens te binnen. En zeg nu zelf, … zevenenzeventig. Toch mooi hé. Ik spreek dat woord regelmatig uit. Nu we hier zitten, komt het ook weer ineens in mijn hoofd.
B: Dan moet u toch iets hebben met dat getal. Is er iets gebeurd in 1977 bijvoorbeeld, waardoor u hier iets mee associeert?
A: Ik vermoed dat er wel iets zal gebeurd zijn in 1977. Het zou vreemd zijn moest dat niet zo zijn, denk je niet?
B: Dat is zo, inderdaad. Ik kan over dat jaar niet meespreken. Is er dat jaar iets gebeurd waardoor het getal een bijzondere waarde kreeg?
A: Dat weet ik niet meer. Kan jij alles onthouden met jaartal en al erbij? Ik niet, dat heb ik trouwens nooit gekund.
B: Zo te horen heeft het dus niets met dat jaar te maken. Is er echt niets speciaal voorgevallen voor u?
A: Ik zou het niet weten. Wat is trouwens iets speciaal om een jaartal te onthouden?
B: U doet net als een politieker in een nieuwsuitzending wanneer een vervelende vraag gesteld wordt.
A: Hier begrijp ik niet wat je bedoelt.
B: Laat maar. Ik dacht dat u dat getal mooi vindt omdat er in 1977 iets memorabels gebeurd is.
A: Hoe? Is er iets gebeurd in 1977? Dan weet jij meer dan ik. Vertel eens. Is dat jaar bijzonder geweest? Ik herinner het mij niet.
B: Daar ging ons gesprek toch niet over. U zei mij op een moment gewoon dat u zevenenzeventig een mooi getal vindt. Ik vroeg mij af waarom dat zo is.
A: Oh, allee. Zeg nu zelf. Dat klinkt toch mooi, … zevenenzeventig. Ik hoor dat graag in ieder geval.
B: Dat kan ik begrijpen. Zijn er bijvoorbeeld ook namen die u mooi in de oren klinken?
A: Wat een stomme vraag. Natuurlijk hoor ik de namen van mijn kinderen en kleinkinderen graag. Maar dat heeft toch meer met de persoontjes dan met de naam te maken.
B: Natuurlijk, de persoon is belangrijker dan de naam. Maar ik wilde alleen maar polsen of u ook een voorkeur heeft voor een bepaalde naam. Net zoals u zich aan dat getal hecht.
A: Maar nee, ik zeg het. Hoe ze heten, vind ik niet zo belangrijk. Ik zie ze graag.
B: Is er dan niets anders, buiten dat getal, zevenenzeventig, dat u een mooi woord vindt. Ik vind bijvoorbeeld het rollen van de klanken in rododendronstruik zeer mooi. Wat vindt u daarvan?
A: Dat interesseert mij niet, jongen. Rollende klanken, het zegt mij niets. Ik ben niet zo met taal bezig. Het aantal boeken dat jij in de kast hebt zitten, gaat ver boven het aantal dat ik in heel mijn leven gelezen heb. Daar ben ik zeker van.
B: En toch zou u nog een woord mooi kunnen vinden om een welbepaalde reden, denk ik.
A: Maar ja, ik zei het toch. Zevenzeventig, dat vind ik een zeer mooi woord.
B: Ja, inderdaad, dat zei u. En dat is dan het enige woord dat u mooi vindt?
A: Ach jongen, vraag dat nog eens als ik zo oud ben. Dan ben ik misschien van gedacht veranderd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.