LANTAARNPAAL

dronken loop ik over de straat
raak elke lantaarnpaal met mijn volle hand
klop om te horen of het licht thuis is
of de paal nog steeds bewoond is
door het lichtgevend straaltje
dat boven altijd schijnt
wanneer het donker wordt
en de avond over de straat valt
wanneer eenzame schooiers
de straten bevolken
op zoek
naar liefde of geborgenheid
met een sprankeltje hoop
op een verwarmend gesprek
anders dan dat van gisteren
toen het weer niets werd
en het eeuwige geleuter
dronken eindigde
en de dag daarvoor
en daarvoor
en daarvoor
hopen doe ik
dat het lichtje naar beneden komt
over mij daalt en
mij beminnelijk in de armen neemt
zodat ik goedgemutst
zal kunnen meepraten
over
de blijde gebeurtenissen van samen
met vrienden en vriendinnen
in goed humeur
te praten en te kletsen
over
te gekke dingen die niet mogen vernoemd worden
die
te onnozel zijn om over te praten
maar waar ik zo een warm gevoel van krijg
dat ik gelukkig ben
mee te kunnen praten
met de grootste onzin
in de ergste waanzinnige bui
die ik niet heb voelen aankomen
die me in een flits overkomen is
en waardoor ik nu
loop te praten tegen
een lantaarnpaal hier zo
midden op de weg
omdat die daar nu toevallig staat
en ik daar zo toevallig
met mijn hand heb op geklopt
en waar zomaar
een lichtje naar beneden is gekomen
en mij gekitteld heeft
met een gevoel
van warm genot en
‘k heb je graag
verdomd ik vind je tof
en geef mij nog zo eens
een schouderklop
en een lichte aai
dat heb ik graag

© Luc april 2004

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *