DIE KLEINE

Ik zal het me niet kunnen vergeven als ik het nooit vertel. Wanneer het steeds een verzinsel in mijn hoofd zal blijven dat nooit in woorden op papier werd gezet. Mogelijk dat niemand er een boodschap aan heeft, maar voor mij zullen het hersenspinsels zijn die anders verrot in de achtertuin van mijn geheugen bleven. Wie heeft het nu graag om nooit daglicht te kunnen aanschouwen, steeds in de duisternis t moeten blijven. De gedachte kan ooit begonnen zijn, maar het einde zal nooit een geboorte hebben gekend. En dat is een vreselijke gedachte wanneer er een lange rijping heeft plaatsgevonden. Dit is een ergere afbreking dan een abortus. Daar weet je van dat het leven niet gewenst is en dat er dan zeker geen warm nest wacht. Gedachten die reeds zo lang in een wachtkamer zitten, zijn zoveel keer overwogen en herschikt dat ze beter een uitweg krijgen dan een stille dood te moeten beleven. Sprankelend van leven kan een verhaaltje uit een lang overdachte zin ontstaan, zodra deze op papier is verschenen. Die eerste zin heeft mogelijk een flipperkastgeschok doorstaan. Heeft daardoor mogelijk alle combinaties uitgetest, zodat het een mooie opener kan zijn waar een afronding op moet volgen. Wanneer een woord een ander heeft afgeschud en een vrijage van lange duur met een leuke combinatie in een zin verkreeg, zal het zeer blij zijn om vele zingezinnetjes na te laten waar de kop pronkend blinkt omdat het weet dat het een leuke staart heeft. Zo borrelen zinsconstructie op bepaalde thema’s in mijn hoofd. Een wirwar van ideeën waar niet altijd een lijn uit te trekken valt, vecht om aandacht om zo de bovenhand te halen en als eerst in een fonkelend begin te kunnen eindigen op papier.
Eens deze zin er staat komen andere ideeën vechten om als eerste door de pen verwoord te worden. Plotselinge wendingen ontstaan door toegeroepen zinnen die geen betekenis hebben, omdat mijn blik zich op het papier concentreert. Mensen in de omgeving die met elkaar praten, vormen zonder het te weten een leidraad door plots gehoorde frasen die leuk overkomen.
Nee maar, wat leuk. Het kan dus zonder problemen dat onbekenden medeauteur zijn van de beste romans. Dan mag de rode draad reeds uitgestippeld zijn, de woorden die neergeschreven worden zullen mee ontstaan door onrechtstreekse invloed. Een personage zal reageren en evolueren met toevallige ontmoetingen.
En synopsis geeft wel het voordeel dat plots reeds bedacht zijn, maar een volledige uitwerking zal pas al schrijvend gebeuren. En net daardoor kan het verhaal levendiger worden door een onbekende aangever.
Een jongetje van drie is zijn moeder kwijt en staat aan het bosje op de parking van de supermarkt te huilen. Met zwaar gesnotter kijkt hij Hilde, de chef van de winkel, die hem toevallig vindt , aan. Zij krijgt geenwoord meer dan “mama” van de jongen te horen. Met horten en stoten blijft hij het woord tussen het snikken door herhalen.
          Zeg me eens, hoe heet je?
          … mama … ma…
          Ik wil je mama mee helpen zoeken, maar dan moet ik wel weten hoe je heet!
          … snuf … mama, ik wil mama …
          Kom eens even hier jongen, we zullen haar samen zoeken. Geef mij een flinke hand, zo kunnen we het samen doen.
          … mama … mama …
          Zal ik mee roepen? Dat zal hier niet veel helpen. Zullen we dat in de winkel gaan doen, daar zal mama waarschijnlijk naar jou aan het zoeken zijn.
Heet lukt haar eindelijk het snikkend kind een hand te geven en hem mee binnen te loodsen.
“Op de parking aan het bosje naast de glascontainer, vonden wij een jongen van zowat drie jaar, gekleed in een blauw broekje en wit-blauw gestreept shirt. Mogen wij de moeder vragen haar kind te komen afhalen aan het onthaal.”
De woorden waren rustig doch dwingend gesproken. Jan en zijn vrouw Bie, een koppel van ronde vijftig, die net een keuze tussen verschillende camembert aan het overleggen zijn, bekijken elkaar veelbetekenend.
          Vergeten ze hun kinderen wanneer ze hun glas komen droppen.
          Zouden ze denken dat de zoon een weg te gooien sieraad is?
          Zal haar handen mogelijk vol gehad hebben met tassen en door het lawaai bij het deponeren, alle gedachten aan haar kind kwijt gespeeld.
          Ach, zot manneke. Jij doet precies alsof getingel van glas het moederschap zou overstemmen. Die jongen zal wel weggelopen zijn en gedacht hebben zijn moeder daar te treffen.
          Kijk, jij zegt iets over moedertrouw. Begin je toch ineens op het kind af te geven. Ben ik blij dat onze Piet het huis uit is. Je zou gaan denkend dat de kinderen bij jou aan hun lot zouden worden overgelaten.
          Kom, kom, geen ruzie. Je weet wat ik bedoel. Gaan we deze van ongepasteuriseerd melk nemen? Die smaakt toch wel lekkerder af, hé!
Ondertussen horen zij een jongetje … “mama” … huilend roepen. Nog geen reactie van de moeder blijkbaar. Toch klinkt het voldoende luid om in het voorste deel van de winkel gehoord te worden.
Jan en Bie zijn wel benieuwd wie de moeder is. Ze komt blijkbaar niet opdagen, want het roepen blijft aanhouden. Ze vergeten de rest van de boodschappenlijst en schuiven aan bij de kassa. Daar kunnen ze dat jochie zien huilen. De verantwoordelijke van de supermarkt heeft de boodschap ondertussen nogmaals omgeroepen, maar er is nog geen beweging te bespeuren. Een paar mensen trachten het jongetje te kalmeren. Een bomma legt haar hand op zijn hoofd en probeert met zachte stem zijn naam te weten te komen. Toch is er geen kalmeren aan.
Wanneer het koppel naar de auto loopt, passeren ze toch even langs de plaats waar het kind gevonden is. Tot hun verbazing vinden ze daar een dame luid kermend tegen de struik. Een glascontainer is op onbegrijpelijke wijze omgevallen en de dame ligt met haar benen bedolven onder de bak. Ineens is het hen duidelijk waarom die moeder niet komt opdagen.

          Blijf bij haar en probeer het glas wat te verplaatsen, Bie. Ik loop naar binnen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *