VRIENDSCHAP

Vrolijk stapt ze mijn kamer binnen. Een brede glimlach, zwaaien met de armen en direct een zoen komen geven.
            Vreemd, waarom word ik zo overvallen? Leuker natuurlijk dat het op deze manier gebeurt dan met een onnoemelijk zuur gezicht en een kwade stem. Direct zou ik dan in mijn schulp kruipen vooraleer het onweer helemaal losbarst. Nu blijf ik echter met vragen zitten over de reden. Vragen die mogelijk onnodig zijn.
Mogelijk? Waarom mag iemand niet goed gezind zijn? Moet daar een reden voor zijn? Verwacht ik dan, zoals een hond bij een appreciatie, een zoethoudertje of een koekje, of ja, toch nog iets leuker?
Mannelijk plezier komt dan in mijn hersenpan opborrelen. Het eerste waar een man aan denkt. Niet alleen het eerste, verschillende keren per uur wordt daar aan gedacht. Was het wel een uur waarover in het onderzoek werd gesproken, of was het tempo nog helser? Snel vergeten is dan ook een probleem van mij.
Heeft het wel belang om te onthouden wat een zoveelste wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen? Was dat wel zo wetenschappelijk? Verschillende studies kunnen elkaar zo snel tegenspreken. Hangt ervan af vanwaar de wind komt, wordt dan gezegd. De wind heeft dan een verachtelijke menselijke geur. Een eigenschap die boven alles primeert.
Nochtans maakt geld niet gelukkig. Maar ja, dat is ook weer een wetenschappelijke stelling.
Boven deze wetenschappelijke stellingen verkies ik een uitdrukking uit menselijke ervaring: ‘Ik voel me rijker door de vriendschappen dan door het materiële dat ik heb.’
Waar blijft hierover wetenschappelijk onderzoek?
Pas op: ik betaal het niet.

SCHIJNVERTONING

Een grote man met Elvisbakkebaarden komt op een imposante manier de trappen af van het vlindergebouw te Antwerpen. Trede per trede met zijn hoofd rustig meedraaiend, overschouwt hij de omgeving. Vooraleer hij aan de afdaling begon inspecteerde hij de omgeving op kijklustigen. Nog niet alle ogen waren op dat moment op hem gericht. Door zijn trage bewegingen en zijn priemende ogen blijven de blikken op hem gericht. Degene die nog niet keek, wordt door de algemene kijklijn meegezogen. Halverwege blijft de reus staan, met opgetrokken bovenlip inhaleert hij diep door zijn neus. Rustig dwaalt zijn blik nu over de menigte. Wanneer de ingezogen lucht traag door zijn nauwelijks geopende mond is ontsnapt, blijft hij nog even rondkijken vooraleer zijn rechterbeen terug aan de dalende richting begint. Altijd zeer rustig nadert hij de vijfde laatste trede, waar hij blijft stilstaan, zijn twee duimen achter de met nepedelstenen versierde broeksriem haakt, zijn lange glinsterende, wit met blauwe streep, mantel opzij schuift en nogmaals diep inademt. Vanop die vijfde trede torent deze grote struise man boven de mensenzee. Niet alleen van de aangekomen trams, ook uit de nabijgelegen hogeschool zijn ondertussen zoveel mensen op het plein toegekomen, dat ze dicht bij elkaar moeten staan.
         Een lichte glimlach trekt over zijn lippen terwijl hij wacht tot nog een tram de lading heeft gelost.
                       Jullie zullen allemaal wel weten waarom jullie zo massaal naar hier kwamen. Uiteraard, anders waren jullie hier niet zo talrijk geweest. Daarvoor ben ik zeer blij.
De blikken van sommige mensen wenden zich even weg om elkaar aan te kijken met een knikkend hoofd.
                   En toch – vervolgt hij – zal ik de meesten moeten teleurstellen. Ik beloofde wel dat vandaag de rechtspraak eindelijk recht zou spreken, maar activistische rechters durven hiervan af te wijken.
        Een ‘oh’ en ‘ah’ en andere verontwaardigde klanken stijgen uit de massa.
                    Activistische rechters zijn het ergste kwaad dat onze eerlijke rechtstaat kan schaden, dat weten jullie allemaal. Daarom ben ik nu naar buiten gekomen om jullie deelachtig te maken vooraleer ik naar het parlement vertrek. Ik neem het niet dat rechters onze partij ten schande maken door negatieve uitspraken te doen die ons volk zullen schaden. Daarom zal ik de eerste minister verplichten hiertegen op te treden.
Een daverend applaus valt hem ten deel. Met een scheefgetrokken mond lacht hij naar iedereen terwijl hij zijn rechterhand licht over de hoofden laat zwaaien. Uit het niets zijn vier afgetrainde bodybuilders verschenen die rond hem meelopen naar een klaarstaande geblindeerde BMW. Terwijl deze wegscheurt van het plein, waarbij enkele omstaanders weg moeten springen om niet geraakt te worden, ontstaat een luid handgeklap met enkele fluiters en ‘bravo’- roepers daartussen.

APPEL

Een rode appel ziet naast zich
een gele soortgenoot liggen.
Wat vreemd, denkt de rode appel.
Waarom heeft die zo een lichte kleur.
Wat vreemd, denkt de gele appel.
Wat een donkere kleur heeft mijn buur.
Zou die wat ziek zijn, of is dat
dan toch geen appel zoals ik?
Waarom heb jij zo een vreemde kleur,
vraagt de gele aan de gevlamde appel.
Maar ik heb geen vreemde kleur, jij zal
later ook zo worden als ik, is het antwoord.
Ik ben ook geel geweest,
Ik wilde er verleidelijk uit zien.
Mijn kaken blozen nu altijd,
daar voel k mij veel beter bij.
Rita heeft zin in die gele appel.
Om later toch keuze te hebben
legt ze een groene appel in de mand.
Ze eet de gele appel smakelijk op.
De rode appel is wel heel erg geschrokken.
Die gele appel is nu verdwenen.
In de plaats kreeg hij een groene buur.
Zo een kleur heeft hij nog nooit gezien.
Wat een vreemde kleur heb jij, zegt de rode appel.
Ik ben stevig, sappig, krokant en ik blink,
antwoordt de groene appel fier.
Ik krijg nooit vlekken, zoals ik bij jou zie.
Altijd dezelfde kleur vind ik maar niets,
Bedroefd omdat hij toch niet zo verleidelijk was,
en in die fruitmand weer moet concurreren,
ergert hij zich nu een bruin plekje meer.