FLASHBACK

Theo en Thea zitten tevreden naast elkaar in de trein het voortvliegende landschap te bewonderen. Het is heel anders dan in een bus zitten, wat ze de laatste jaren met georganiseerde uitstappen van de seniorenvereniging gewoon zijn te doen. Nu is het maar af en toe dat er auto’s en huizen te zien zijn. Het groen, dat toch overheerst langs deze wegen, geeft hen een warm gevoel.
            Lang geleden dat ze de trein namen, en dan nog voor een lange afstand. Ze zijn door Els, hun jongste kleindochter uitgenodigd om een paar dagen in een gehuurde chalet in de Ardennen te verblijven. Ze vermoeden dat Els een prettige verrassing zal hebben, waarvoor ze hen dit pleziertje wil doen. Zeker omdat Matthias, haar vriend, er zal zijn. Van opwinding moet Thea naar het toilet. Niet dat ze het prettig vindt, zegt ze tegen Theo, maar de uitrusting is veel beter dan vroeger, heeft ze zich laten vertellen. Het moment is blijkbaar niet goed gekozen, ze is net verdwenen en de trein stopt in een station. Nu Theo even alleen zit, en de trein stilstaat, gaat hij even rechtstaan om zijn rug te strekken. Daar is Thea al terug. Maar wat is dat nu? De trein krijgt een schok en met haar oude benen kan Thea zich niet staande houden. Gelukkig valt ze tegen Theo, die haar stevig vastgrijpt.
            “Mmm, wat ruik je lekker, dat lijkt op die goede oude 4711.”
            “Ja”, giechelt Thea: “Ik wilde je verrassen. Weet je nog hoe wij elkaar ontmoetten?”
            Ondertussen zijn ze terug gaan zitten, als een jong koppel met de handen in elkaar geslagen en dicht tegeneen geschoven. Theo heeft, zoals een verliefde jongen, twinkelende ogen bij de herinnering.
            “Het kan geen toeval zijn. Jij bent toen ook in mijn armen gevallen door een grote schok van de trein. Treinen die gekoppeld worden of zo. Mogelijk was dat nu ook het geval. Maar toen was de klap wel veel harder. Meerdere mensen vielen bijna om. Ik had het geluk dat jij tegen mij viel. En het eerste wat ik merkte, was je prikkelende geur. God ja, je had je voet omgeslagen en we kregen onmiddellijk plaats op een bank. Er waren toen wel minder lege plekken dan nu, maar enkele bezorgde mensen stonden onmiddellijk op, zodat jij je schoen kon uitdoen.”
            “Ja, en jij was ook toen al zo hoffelijk mijn voet te masseren. Nu noemen we dat hoffelijk, toen was dat onbeschaamd. De mensen zullen wel geschokt gekeken hebben. Maar wij wisten van niets.”
            “Ik geraakte niet uitgekeken op jou, en je geur was zo heerlijk. Ik denk dat ik dat ook onmiddellijk gezegd heb.” Ja, jij kleine charmeur. Ik liet me volledig inpakken door jou.” “Ik vond het wel spijtig dat ik vroeger moest uitstappen dan jij.” “En daarom deed je het niet, charmeur. Je hebt me bijna thuis gebracht. Tot aan de deur durfde je wel niet.” “We beloofden dat we elkaar gingen terugzien, dat was voldoende.” “Nu moest ik niet meer vallen om in jouw armen te liggen. Onze relatie nam de gezapige snelheid van de trein over. Meer moest dat niet zijn, we waren gelukkig”.
            Met de handen in elkaar geslagen blijven ze gelukzalig tot aan de afstapplaats op die zachte bank zitten.
            “Hé Els, is dat nu Matthias? En met zo’n chique auto! Die kan er vaart achter zetten.”

ONTSLAG

‘Zo, mijnheer Stoffels, kom binnen en zet u. U hier laten komen is nog niet veel gebeurd. Het is dan ook een speciale gelegenheid en u zult snel begrijpen waarom. Ik hoefde u hier niet te zien om te weten wat voor een medewerker u bent. Zo hoorde ik dat u steeds kritiek geeft op de nieuwe opdrachten die u worden gegeven. Wanneer u die snel zou uitvoeren, eventueel met opmerkingen, zou daar niets fout aan zijn. Jammer genoeg hoor ik zeggen dat de uitvoering steeds op zich laat wachten en dat u voor elke nieuwe handeling wel aanmerkingen kan vinden. U hebt hiervoor, naar het schijnt, ook een uitgebreide woordenschat, die ik best niet herhaal. Wanneer ik u die papegaai, zou u beschaamd zijn. Ja, u bent wel zeer snel met opmerkingen, toch zegt u altijd hetzelfde, mijnheer Stoffels. U beseft het zelf waarschijnlijk niet, maar wij horen altijd dezelfde verzuchting. U bent het hier beu, mijnheer Stoffels. U bent het beu en u durft dat niet openlijk zeggen. U zou nog liever elke dag, en dat een hele dag lang, zoals Charlie Chaplin in Modern Times, aan dezelfde schroeven blijven draaien. U verkiest dat boven de afwisseling die wij steeds weer proberen te brengen door nieuwe werkmethodes uit te proberen. Hierdoor kunnen wij sneller en beter resultaat verkrijgen. Dat zou ook u ten goede komen. Maar neen, u wilt niet mee evolueren. Geen afwisseling omdat het u gewoonweg niet interesseert. In onze concurrentiële wereld gaat dat niet op. Ook al proberen wij het u zo aangenaam mogelijk te maken, u blijft dezelfde valse viool bespelen. Mijnheer Stoffels, uw smeekbede van de laatste maanden wordt aanhoort, u kunt gaan. Verstaat u mij: u kunt gaan, nu, onmiddellijk!’

EEN ‘BEZORGDE’ MOEDER

‘Zo, Elsje, vanaf nu ga je naar de grote school. Dat zal prettig worden, denk je niet?’
In de woonkamer zit Elsje op de glanzende tegelvloer haar net gekregen boekentas te ontdekken.
‘Mama, de vakantie was ook prettig, ik mocht lang slapen.’
Licht lachend antwoordt Rita: ‘Ja, dat is waar. Misschien is het voor jou wel jammer dat je vroeger moet opstaan. Maar je gaat plezier beleven omdat je leert lezen, schrijven en tellen. Zo zal je niet meer moeten vragen wat er staat, dan lees je het zelf. Dat ga jij zeer zeker leuk vinden.’
Elsje kijkt op. Ze wijst naar haar moeder en zegt op dwingende toon: ‘Je gaat mij ’s avonds toch nog voorlezen, hé mama!’
            ‘Maar natuurlijk, kindje. Als ik voorlees zie ik je steeds mooi in slaap vallen. Dat maakt mijn avond extra leuk.’
            De wijsvinger verdwijnt en Elsje nestelt zich naast haar mama in de brede zetel. Ze neemt haar boekentas op haar schoot en wiebelt heen en weer.
            ‘Jij bent de liefste mama die ik ken.’
            ‘En jij bent al een grote meid die verdient om elke week zakgeld van ons te krijgen. Daar kan je dan mee kopen wat je wilt.’
            Elsje schrikt op en met gefronste wenkbrauwen vraagt ze: ‘Oh, krijg ik dan niets meer van jullie? Moet ik dan alles zelf kopen? Dat vind ik niet leuk hoor, mama. Dan moet ik geen zakgeld hebben.’
Rita trekt haar hoofd achteruit en houdt haar adem even in. Dan begint ze te lachen en neemt haar dochter in haar armen: ‘Maar nee, zoetje. Op de grote school kan jij zoals elk kind iets speciaal voor jezelf kopen. Je wordt toch een grote meid.’
Met een zoen op haar voorhoofd zet ze haar kleine meid terug op de tegelvloer. Elsje trekt haar ogen wijd open, schudt even met hoofd en loopt dan jubelend naar de tuin.