TREIN

‘Papa, waarom staat de trein stil?’
‘We mogen nog niet vertrekken, jongen. Het is nog geen tijd.’
‘Waarom is het nog geen tijd, papa. Tijd is er toch altijd?’
‘Voor deze trein is het nog niet de juiste tijd om te vertrekken. Daarom staan we nog stil.’
‘Papa, wanneer vertrekken we dan?’
‘Wanneer de conducteur aangeeft dat we kunnen vertrekken.’

‘Hoor, papa, een fluitje. Waarom fluiten ze in een station, papa?’
‘Dat was de conducteur, jongen. Zo weten we dat het tijd is om te vertrekken. Nu hoor je de deuren toegaan.’

‘Rijdt de trein altijd zo traag, papa?’
‘Wanneer die direct snel zou rijden, zou jij vallen, jongen. Ga maar zitten, seffens val je nog.’
‘Maar papa, de trein rijdt toch niet snel.’
‘Wacht maar, jongen.’

‘Ja papa, nu rijdt die wel snel. Zie, dat is plezant, hé. Nu is dat precies of alles traag is, hé papa.’
‘Ja jongen. Dat zal je later wel leren op school waarom dat zo lijkt. Natuurlijk stappen de mensen even snel als altijd. En die pilaren die staan nu wel stil ook, natuurlijk. En die trein rijdt trager dan de onze, maar dan staat die precies stil. Mooi om te zien, maar alles blijft wel normaal, zenne.’

‘Maar, maar. Nu rijdt die trein weer trager.’

‘Papa, waarom hebben die mevrouwen het nu zo warm?’

DING, DONG

‘Beste trainrazigers, we kommen oan in Broeksel. Dezen train stopt eerst in den Brussel Nor, …’

Leuke taal, een echte Broesseleir.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *