DIE KLEINE

Een jongetje staat aan een bosje op de parking van de supermarkt te huilen. Met zwaar gesnotter kijkt hij Hilde, de chef van de winkel die hem toevallig vond, aan. Zij krijgt alleen “mama” van de jongen te horen. Met horten en stoten blijft hij het woord tussen het snikken door herhalen.
‘Zeg me eens, hoe heet je?’
‘… mama … ma…’
‘Neen, zo heet je niet. Ik weet dat jij je mama zoekt, maar door hier zo te roepen, zal dat niet lukken. Ik wil je mama mee helpen vinden, maar dan moet ik wel weten hoe je heet!’
‘… snif … mama, ik wil mama …’
‘Kom eens hier jongen, we zullen haar samen zoeken. Geef mij een flinke hand, zo gaan we ze zeker vinden.’
‘… mama … mama …’ Luid brult het kind door de tranen heen. ‘mamaaa, …’
‘Zal ik mee roepen? Dat zal niet veel helpen. Zullen we het in de winkel gaan doen. Daar moeten we het misschien niet doen. Je mama is je daar waarschijnlijk zelf aan het zoeken.’
Het lukt haar eindelijk het snikkend kind bij de hand te nemen en mee binnen te loodsen.

“Op de parking vonden wij een jongen van zowat drie jaar, gekleed in een blauw broekje en wit-blauw gestreept shirt. Mogen wij de moeder vragen haar kind te komen afhalen aan het onthaal.”

De woorden zijn rustig en dwingend gesproken. Jan en zijn vrouw Bie, een ouder koppel, die net een keuze tussen verschillende camemberts aan het overleggen zijn, bekijken elkaar veelbetekenend.
‘Dat is toch nogal iets tegenwoordig, hé. Ik weet wel dat het voor een vrouw leuk is om rond te kijken in een winkel. Maar je kind op de parking vergeten, dat is er toch over, hé Bie.’
‘Het is weer de moeder, hé Jan. Hoe weet je dat? Misschien is er wel een vader die alleen boodschappen wil doen. Niet zo gewoon om het kind mee te nemen, en dan vergeten. Wie weet.’
‘Of het nu de vader of de moeder is, dat blijft voor mij hetzelfde. Je hebt toch verantwoordelijkheid over je kind. Heel erg dat je die kleine zomaar op de parking achterlaat.’
‘Ja, ‘t is een schande. Vroeger hé, ja vroeger, dan ging dat zo niet. Ja, dan gingen we nog naar de winkel op de hoek van ‘t straat natuurlijk. Daar kreeg ons Marcske toch altijd wel iets lekkers. Zo bleef die wel bij mij.’
‘Ja, waar is de tijd van die klein winkeltjes hé. Die mensen kenden ons goed, die wisten wat we moesten hebben. Allez, zie ons hier nu staan. Welke camembert hadden we de vorige keer. Ik geloof dat ik die niet zo goed vond. ‘t Is hier ook zo een enorme keus, dat was vroeger ook niet.’
‘Jij wordt oud, hé manneke. Dat je niet meer weet welke je goed vindt en welke slecht. Trouwens, de laatste keer, die was niet slecht. Die was nog niet rijp genoeg. Tegenwoordig is kaas nog maar net gemaakt en ligt hier al in de winkel. Vroeger hadden ze aan de toonbank altijd wat voorraad. Pas wanneer die goed was om te verkopen konden we een stuk vragen. Zie je hier nog een toog? Neen, want dan zouden ze mensen kunnen helpen, en dat mag niet meer. Ik zal eens voelen welke goed rijp is, dan weten we welke we moeten pakken.’

Een winkeldame, die net binnen is gekomen, heeft haar met de duim alle pakjes zien indrukken. ‘Mevrouw, mevrouw. Mag ik vragen alles mee te nemen waar u zo hard aan gevoeld heeft. Andere mensen willen ook propere en niet gekwetste artikelen.’
‘Maar, dat vind ik nu grof, se madam. Sorry hé, maar ik moet toch weten of dat te eten is. Van die jonge brol kan je zo maar niet beginnen eten, en dan hebben we niets in huis.’
‘Toch moet ik u vragen om niet zo hard op die kazen te duwen, mevrouw.’ De bediende kijkt nog in hun kar en verdwijnt.
‘Dat vind ik nu nog beter zeg. In plaats van eens te helpen, krijgen wij hier naar ons voeten.’

Uit de luidspreker schalt dezelfde stem als daarnet: ‘Het jongetje van drie met blauw broekje en gestreept truitje staat nog steeds te wachten aan het onthaal. Mogen wij de moeder dringend verzoeken haar zoontje te komen ophalen.’
‘Allez, hoor dat nu! Die moeder is er nog altijd niet. Dat is toch niet mogelijk hé.’ Bie begint zich zichtbaar druk te maken over dit voorval. Ze kijkt gehaast op haar boodschappenlijstje. ‘Gaan we deze van ongepasteuriseerde melk nemen? Die smaakt wel lekkerder af, hé! Dan kunnen we voortgaan.’
‘Ja, doe maar. Jij weet wat we nog nodig hebben. Ik ga ondertussen al eens naar voor kijken.’

Jan hoort het jongetje huilend mama roepen. Nog geen reactie van de moeder blijkbaar. Toch klinkt het voldoende luid om zeker in het voorste deel van de winkel gehoord te worden. Hij speurt rond en bekijkt elke passerende vrouw met een vragende blik.
Parmantig stopt de derde haar kar. Met haar handen in haar zij heft ze haar kin naar boven en met een boze stem zegt ze:      ‘Awel man, is dat jouw manier om een vrouw te versieren. Wat sta je hier zo onnozel te kijken.’
Jan schrikt en zet enkele passen terug. ‘Sorry, mevrouw. Hoort u niet dat hier een kind is achtergelaten? Ik vraag mij af wie de moeder is.’
‘Awel ja, en dat kan jij dan op jouw manier zien aan de vrouwen. Ouwe sloeber.’ De dame schudt haar hoofd enkele keren en begeeft zich verder naar de kassa.

Bie heeft dit voorval van de andere kant van de rayon kunnen waarnemen. De artikelen rondom haar bekijkend nadert ze Jan.      ‘En, heb je de moeder gevonden?’
Verbouwereerd kijkt Jan Bie aan. ‘Wat bedoel je? Hoor jij die kleine ook al niet meer?’
‘Ach kom, ik ken je veel te goed. Je stond hier wel voor schut daarnet.’ Bie toont een grimaslach: ‘Kom, we gaan betalen. Misschien vinden we die moeder wel op de parking. Maar hou je ogen een beetje voor jezelf hé.’

Jan en Bie moeten voorbij de glascontainer die tussen taxushagen staat. Tot hun verbazing vinden ze daar een dame luid kermend tegen de struik. Haar winkelkar met enkele zakken leeggoed is blijkbaar in een kapotte steen blijven steken en omgeslagen. Met haar linkerbeen ligt zij onder de kar. Haar rechtervoet ligt onder haar bil. Daarnaast ligt een schoen met gebroken hoge hak. Kermend kijkt zij hen aan. ‘Help mij alstublieft.’ De vrouw tracht zich aan de kar omhoog te hijsen, waardoor zij zich duidelijk nog meer bezeerd.
Als een vuurpijl springt Jan naar de kar, trekt ze aan de zijkant overeind, weg van het been van de dame. De vrouw blijft met een pijnlijk gezicht op de grond zitten, de rechtervoet nog steeds onder haar linkerbovenbeen. Ze probeert met steun van Jan recht te komen. Op haar rechtervoet staan, lukt duidelijk niet. ‘Wil je mijn zoontje zoeken?’ Met trillende stem en tranen in de ogen kijkt ze naar haar redder.

SPEKTAKELTERRAS

meesjes zien we elke dag
komen hier hun portie noten eten
soms zagen we een merel op zoek
en die de mezen wegjoeg
als groot ander dier

deze vrieskou zien we de mezen
en ook de merel is niet meer alleen
ook musjes komen op bezoek
nu zijn wij de grote boeman
die ze wegjaagt wanneer we buiten komen

toch zitten ze zalig dicht bijeen
eten niet van hetzelfde
de merel probeert zoals een kolibri
al fladderend meelwormpasta te eten
mezen pikken elkanders goed
mussen blijven onverschillig
eten wanneer het hen toekomt

zo beleven wij een spektakelterras

KLEIN, VENIJNIG DING

Flinterdun, microscopisch klein, geen gewicht, zo is het begonnen. Nooit wilde het zich ergens nestelen, steeds wilde het de verre einders verkennen. Op zoek was het niet, neen. Iets ontdekken door rond te dolen, dat was de bedoeling. Het maakte niet uit wat ontdekt zou worden. Bewegen, de omgeving bezoeken zo ver als mogelijk. Dat was de enige bedoeling. Of het wel de intentie had, of het ding een opvatting of opzet had, dat deed helemaal niet ter zake.

Eerst was het nog ze klein dat het niet wist of het nu door vocht of met een luchtstroom werd meegedreven. Overal kon het naar toe, en vol nieuwsgierigheid liet het zich meedrijven. Soms werd een smak tegen een wand gemaakt, maar door de gewichtloosheid kon dat niet deren. Alle uiteinden werden bezocht. Immense afstanden werden afgelegd door de kleinheid. Bij het ademen werden wel voedingsstoffen opgenomen waardoor stilaan verdikking ontstond. Maar toch bleef het zo klein en zeer fijn. Petieterig in omvang zodat er geen hindernissen kwamen. Of er een einde was, deed er niet toe. Hoe zou het dit kunnen weten op deze ontdekkingsreis. Alles zag er zo eender uit. Dat het wel verschillende richtingen werd uitgeduwd was zeker. Of het ergens belandde, daar interesseerde het zich niet in. Het werd toch mee weggezogen naar ergens anders. Snel werd vooruit gekomen, indrukken opgedaan. Langzaamaan kwam er gewicht en omvang bij. Kleine doorgangen werden te smal. Dit werd nog niet direct opgemerkt omdat er steeds een andere weg open lag. Toch begon de indruk te ontstaan dat er geen snelheid meer kon gemaakt worden. Van groeien had het geen besef, alles bleef immens. En toch werd meer en meer hinder ervaren bij het ontdekken van de omgeving.

Leek het nu niet dat die rode en witte bollen kleiner werden? Er tussen glippen werd steeds moeilijker. Een eigen weg zoeken werd de nieuwe opdracht. Nieuwe normen die moesten worden gerespecteerd. Regelmatig waren kolonies witte bollen verzameld. Als in commando hinderden ze het minuscule ding meer en meer. Ook zij werden wel door de enorme machine voortgeduwd. Aan de stroming was geen ontkomen aan. Hoe groter en zwaarder hoe meer hinder er kwam om snelheid te maken. Hoe dichter bij de machine, hoe beter de ritmische stuwing gevoeld werd. Dit gaf een tintelende sensatie.

Graag bleef het daar in de buurt, maar dit lukte niet door de kracht waarop het werd voortgeduwd. Bonkend bleef de aandrift in één richting duwen, tot de stuwing minderde en een zijweg een uitweg bood. Vreemd genoeg kwam dit pad dan terug aan een grotere laan waarmee het terug naar het kloppende apparaat werd geleid. De rode bolletjes hadden zich hier blijkbaar tegoed gedaan aan voedsel, zij kwamen feller tevoorschijn. Ook bij de witte bollen verdween daar de vaalheid.

Gelaten werd het meegenomen op de tocht. Plots werd het frisser. Er kwam precies van overal wind. De bolletjes zochten bescherming bij elkaar en bibberend werd de kleur weer frisser. Niet alleen een wind was voelbaar, het trekken en duwen langs alle kanten maakte dat elkeen over elkaar buitelde en dat een schijnbare rangorde een wanorde werd. Gelukkig duurde dit maar even. Dit was echter een mooie plek om vast te klampen. Het ding was groter geworden en kon zich in een smalle opening vastzetten. Rode bollen bleven opgetogen en rolden over elkaar naar een volgend spektakel.

Witte bollen die hier nog mooi wit waren, bleven rondom dartelen. Wanneer het niet te houden was, kwam een volgende batterij hen vervangen. Het ding werd meer en meer omsingeld door witte bollen die zich begonnen in te vreten. Het ding had voldoende voedsel opgenomen en kon zich een hele tijd verweren. De witte bollen kwamen steeds in grotere aantallen, zogen zich in het ding vast tot ze vaalwit werden. Verdwenen zodat een volgende witte brigade vaalwit kon worden. Dit voelde echt als een aanval waar niet aan te ontkomen was. Hoe meer het ding zich vastklampte, hoe minder voedsel het kreeg en hoe sneller het werd leeggezogen. Het voelde zich verzwakken en bleef leeg aan de wand kleven. De laatste witte bol deed zich nog uitbundig tegoed en verkleurde extra met de laatste restanten.

De colonne vaalwitte bollen verdween om zich te gaan opfrissen.