SONNET 3

haar lichaam lijkt volle rijke aarde
de hele pracht tot ontdekken bereid
met de mooiste rondingen van waarde
mijn zinnen worden prikkelend geleid

verleidelijk ligt ze op bed gevlijd
sterke hoogtes, zachte laagtes ontwaard
smekend van verlangen wijd en zijd
vochtig en warm als een open haard

kom nader, voel, betast, bemachtig
alle remmen los, kort en krachtig
mannelijkheid gaat over lijken

begeerte, wellust niet in te dijken
roekeloos zonder enig respect
het vrouwtje verdwijnt, is geen lustobject

COVID-19

Vreemd!
Om contacten te kunnen behouden,
mogen we nu geen contact hebben.
 
Tijdelijk!
Hoe lang?
 
Een telefoontje, WhatsApp,
met vriend, kind, kleinkind,
blijft gelijk, ’t is op afstand
 
Wandelen en fietsen,
bewegen doet goed.
Dan mag een fijne ontmoeting.
Het moet op afstand.
 
Houden we dit lang genoeg vol?
Of gaan we door het lint?
Zodat ons leven mogelijk
aan een zijden draadje hangt.

SONNET 2

Wat je wil, wat je weigert, wat je bent
Toont jouw onhebbelijkheden
Hiermee lok ik je uit de tent
Dat heb je zeer goed begrepen

Je bent zo grof en onbeschoft
Niets of niemand staat je in de weg
Tot er ooit eens iemand ontploft
Dan ben je gekwetst, kruip jij niet meer recht

Zo zal ik jou dan mogen herinneren
In alle oprechtheid met de nodige schijn
Loop jij te pronken en je te etaleren

nu erken je wel je meerderen
ze tonen meer inhoud in hun brein
ach ja, jij zal het toch nooit leren